Mijn pestverhaal begint vroeg. Heel vroeg. In het derde kleuterklasje, om precies te zijn, toen een groepje stoere leeftijdsgenoten het leuk vond om me, tegen de schoolmuur gedrukt, 'gevangen' te houden tot de schoolbel rinkelde, zodat ik een spurtje moest trekken om op tijd in de rij te staan. Ik, de braafste van de klas, die nooit te laat kwam. Het lijkt op het eerste zicht onschuldig, maar dat is het niet als het zich haast elke week herhaalt. Toen ik die jongens jaren later toevallig nog eens tegenkwam, liep er nog een koude rilling over m'n rug.

 

In het eerste studiejaar kwam de kleinste van de klas - die z'n jaar overzat, en dus op veel ontzag kon rekenen omdat ie een jaar ouder was - me achterna op de speelplaats met een collectie passerpunten. Misschien heb ik toen wel m'n belonefobie ontwikkeld.

 

Doorheen m'n lagereschooljaren werd ik verbaal aangepakt, omdat ik niet graag turnde, omdat ik niet van voetbal hield, omdat ik klein en mager en slim was. Nog voordat ik wist wat het betekende, vloog het woord 'mietje' me al om de oren. Een woord dat in mijn latere schoolloopbaan werd aangevuld met alle andere vulgaire synoniemen die je maar kan bedenken.

 

In het middelbaar moest ik een bril dragen. O jee. Nog een trigger erbij. Het beeld van de nerd die altijd netjes met zijn armpjes gekruist vooraan in de klas zat omdat hij slecht zag en goed wilde opletten, werd bevestigd. Mikpunt van spot, uiteraard, omdat diezelfde jongen ook nog steeds die afkeer had van sport - hoewel ik graag atletiek deed. Ik was er keislecht in, maar ik deed het dolgraag. Een voorval uit die jaren dat me is bijgebleven, is een jongen van een andere klas die een flinke teug nam van zijn blikje cola en die cola in mijn gezicht spuwde. Of de opmerking van een leerkracht in het laatste jaar: "Bijt nog maar een paar maanden op je tanden. Binnenkort ben je hier weg."

 

In mijn adolescentenjaren ging ik nooit uit, bang om de pestkoppen tegen het lijf te lopen. Dat heeft een sterke invloed gehad op mijn latere omgang met mensen en mijn sociaal leven.

 

Ik wil niet het beeld scheppen dat mijn tienerjaren een hel waren. Ik heb ook heel mooie momenten beleefd, alleen kan ik me die niet zo goed voor de geest halen. Misschien ook omdat ze niet zo talrijk waren.

 

Voor mij is het pesten sterk afgenomen en zelfs helemaal gestopt toen ik in het hoger onderwijs zat. Maar ik wil er toch even de aandacht op vestigen dat voor sommigen het pesten opnieuw gebeurt als ze later gaan werken. Er is altijd veel aandacht voor pesten op school - en terecht, maar we mogen pesten op het werk niet negeren. Het raakt me wanneer mensen uit mijn omgeving hun verhaal vertellen en aangeven van job te willen - nee, móeten - veranderen, omdat ze het pestgedrag van collega's niet langer kunnen verdragen. En waarom zouden ze? Pesten kan niet. Pesten kan nóóit. Daar moet tegen gehandeld worden.

 

Ik zal mijn pestverleden altijd met me meedragen. Ik kan niet zeggen dat het me sterker gemaakt heeft, maar het heeft me wel wat geleerd. Ik heb het bij wijze van spreken een plaats kunnen geven. Af en toe durf ik het laatje nog wel eens opentrekken en dan denk ik: "Maar kijk eens waar je nú staat."

Heb je na het lezen van deze tekst nood aan een gesprek met een professionele hulpverlener, surf dan naar deze website.

 

Wil je met mij verder praten, neem dan contact op via het invulformulier.